Graf Engelse zeeverkenners

Einde Spoor op Zee


Scouting langs de Theems
De grote stad Londen is in feite niet anders dan een groot aantal dorpjes dat in de loop der jaren naar elkaar toe is gegroeid en samen één wereldstad vormde. Eén van die dorpjes is Mortlake gelegen aan de zuidelijke oever van de Theems in het westelijk deel van de metropool. Langs de rivier ontstonden vele zeeverkennersgroepen. Eén daarvan was de 1st Mortlake Sea Scouts die twee maal zeer bekend werd.

In juni 1940 toen hun motorboot "MINOTAUR" deelnam aan de terugtocht van het Britse leger uit Duinkerken. In augustus 1950 door een drama dat zich afspeelde in de Straat van Dover. De groep bezat de “WANGLE III”. Dit was wat men noemde een Wahler, een type sloep dat in oude tijden werd gebruikt door de walvisvaarders bij de jacht op walvissen. Met mannen aan de roeispanen en met in de boeg een harpoenier gingen deze bootjes op jacht. Was men een walvis dicht genaderd dan werd de harpoen geworpen en werd het bootje door het gewonde dier soms over lange afstand, met grote snelheid, voortgetrokken tot de walvis de strijd moest opgeven en door de wahler naar het moederschip werd gesleept. Later werden deze roeiboten vervangen door eerst kleine stoomschepen en later motorschepen met een harpoenkanon op de voorsteven.

Voor geheel andere doeleinden werden in 1942 voor de Canadese marine in St William/Ontario diverse van deze zeewaardige roeiboten gebouwd. Ze waren ca 8 meter lang en ca 1,5 meter breed. Voorzien van roeispanen en een mast met zeil. Na de Tweede Wereldoorlog werden zeven van deze boten ter beschikking gesteld van de Britse Boy Scouts Association en één er van toebedeeld aan de 1rst Mortlake
Sea Scouts. Onder de naam "WANGLE III" werd ze door de groep in de vaart genomen. Men voer er mee op de Theems maar ook stak men wel in zee en voer dan naar Calais aan de Franse kust.

Naar Frankrijk
Ook in augustus 1950 stond zo’n trip naar Calais op het programma. Groepsleider John Weedon was een ervaren zeeman. Tijdens de oorlog had hij gediend bij de Royal Navy waar hij de rang van Lieutenant Commander behaalde. Hij was een expert op kleine schepen en als commandant van een Motortorpedoboot was hij tijdens de oorlog vanuit Dover actief bij de strijd op de Noordzee, in het Nauw van Calais en Het Kanaal. Wateren die hij goed leerde kennen. Hij werd onderscheiden met het DSC (Distinguished Service Cross). In Scouting was hij behalve groepsleider ook de Londense cursusleider voor Sea Scouting op het schip "DISCOVERY", dat toen lag afgemeerd in de Theems aan de Thames Embankment in het hartje van Londen.

                      

De "WANGLE III" werd weer zeeklaar gemaakt voor een oversteek naar Calais. Op vrijdag 11 augustus 1950 scheepten zich in de Groepsleider John Weedon en zes Senior Sea Scouts: William Woods (16), Maurice Percival (16), Robert Warford (18), William Towndrew (18), Brian Peters (17) en Peter Frederick White (17). Verder twee leiders Donald Amos (24) en Bernard Bell (25) en als passagier en gast Kenneth
Black, de Districtscommissaris van het Londense district Kensington.

Men voer de Theems af richting zee. Na een kort oponthoud in Ramsgate werd begonnen aan de oversteek naar Calais waar men op woensdag 16 augustus arriveerde. De bemanning ging aan de wal om te passagieren en Calais te verkennen. Op zaterdag 19 augustus bezochten twee leden van de bemanning het kantoor van de 3 Havenmeester van Calais voor het weerbericht. De bezetting van het kantoor was op deze dag gering en kennelijk was er niemand aanwezig die Engels sprak wat zeer vreemd was voor een dergelijke instelling. Het gesprek werd in het Frans gevoerd en het is de vraag of de beide Engelsen deze taal machtig waren. In ieder geval werd later tijdens het officiële onderzoek verklaard dat de Fransman gezegd zou hebben dat het weer te ongunstig was om uit te varen. Het officiële weerbericht luidde: “Wind zuid bij zuidwest, lichte bries, ruwe zee, bewolkt, heldere tussenpozen, af en toe een bui, zicht goed”.

Skipper John Weedon liep nog even naar een brievenbus om een ansichtkaart aan zijn vrouw te zenden. Daarop zagen Fransen dat de "WANGLE III", zonder dat men zich afmeldde bij de douane en politie, om 10 uur voormiddag, de haven verliet en zee koos. Dit was de laatste keer dat men de boot en zijn opvarenden zag.

Het Nauw van Calais
Het Nauw van Calais is ook bekend als the Strait of Dover, de Straat van Dover, het Nauw van Kalis of de Pas de Calais. Staande op de krijtrotsen van Dover kan men, bij helder weer, de kust van Frankrijk duidelijk zien liggen en vanuit Frankrijk de Engelse kust. Het is één van de drukst bevaren zeewegen ter wereld in noordelijke of zuidelijke richting die in die tijd – ver voor de Kanaaltunnel - ook nog eens gekruist werd door de vele veerboten die van de Belgische en Franse kust op Dover en Folkstone voeren. Tweemaal per dag worden enorme watermassa’s met enorme kracht vanuit de Noordzee in zuidelijke richting door deze zeestraat geperst. En ook tweemaal per dag in omgekeerde richting vanuit het Kanaal weer terug naar de Noordzee. Dit zijn ongekende stromingen die tot ver in de Noordzee en het Kanaal van invloed zijn, zoals uit dit verhaal ook zal blijken. In de nauwe zee-engte tussen Dover en Calais veroorzaken zij een verschil tussen eb en vloed van 6 tot 7 meter.

Vermist
Op weg naar huis zal de bemanning vanuit Calais koers hebben gezet naar Ramsgate. Wat er gebeurd is zal altijd een raadsel blijven maar zeker is dat de boot met alle opvarenden is verdwenen. Overweldigd door de golven? Overvaren door een zeeschip of een veerboot?

Toen de "WANGLE III" niet arriveerde in Ramsgate werd er alarm geslagen. Vliegtuigen van de Royal Air Force en helikopters van de Coast Guard stegen op en zochten in de Straat van Dover. De scheepvaart werd verzocht goed uit te kijken. De volgende dag werd het zoeken hervat. Echter zonder resultaat. Twee broers van de DC Black van Kensington charterden vliegtuigjes die ook aan de zoektocht deelnamen. De Dover, Deal en Ramsgate reddingsboten van de Royal National Lifeboat Institute
werden naar de beruchte, bij laagwater droog liggende Goodwin Sands, gezonden om daar te zoeken. Het was alles vergeefs. Er werd niets gevonden.

Opgegeven
Op 26 augustus liet het Hoofdkwartier van de Boy Scouts Association, met instemming van de RAF en de Britse Admiraliteit [Royal Navy] een persbericht uitgaan met de mededeling dat er geen hoop meer was.
Op 10 september werd er een herdenkingsdienst gehouden in de Kerk van St Mary in Mortlake geleid door de Bisschop van Kingston in aanwezigheid van de Chief Scout van het Verenigd Koninkrijk, de Chief Scout van Engeland, vele County Commissioners, officieren van de Britse Marine en Luchtmacht, bevriende leiders en scouts en uiteraard de leden van de groep en het padvindstersvendel.

Teruggevonden

Texel
Op 14 september werd in Engeland een bericht ontvangen van de Nederlandse autoriteiten dat op het strand aan de westkust van het eiland Texel het lichaam was gevonden van een Engelse zeeverkenner.
In de Texelse Courant verscheen het volgende bericht:

                                            

Achteraf bleek het hier te gaan om de lichamen van William Woods (16) en William Towndrew (18). Op het strand van Terschelling werd Maurice Percival (16) gevonden. In de Duitse Bocht, tussen Helgoland en de Duitse kust werden de ronddrijvende lichamen van de Groepsleider John Weedon, Peter Frederick White (17) en Brian Peters (17) geborgen. De lichamen van Donald Amos (24), Bernard Bell (25) en DC Kenneth Black heeft de zee, voor zover bekend, nimmer teruggeven.

William Woods en William Towndrew werden begraven op de Algemene Begraafplaats te Den Brug op Texel. Het lichaam van Maurice Percival, die op Terschelling was aangespoeld, werd verenigd met de drie die in de Duitse Bocht waren gevonden en deze vier arriveerden op woensdagochtend 15 november per veerboot op Texel. Inmiddels was uit Engeland Charles Freeman als vertegenwoordiger van het Britse
Hoofdkwartier in Londen overgekomen en slechts één familielid: de vader van Peter
Frederick White. [1]

Belast met de organisatie van de uitvaart waren de Britse Major Milsom [2], ook gelegerd in West-Duitsland, en Oûbaas van Griethuysen van het Nationaal Hoofdkwartier van de Vereniging de Nederlandse Padvinders (NPV). Die woensdag dag, om 12 uur, begon de rouwdienst in de Doopsgezinde Kerk te Den Burg. De dienst, volgens de liturgie van de Anglicaanse Kerk, werd geleid door Reverend Dye, veldprediker van het Britse leger gelegeerd in West-Duitsland. Ook werd het woord gevoerd door Oûbaas Jan Volkmaars, AHKC/Buitenland (NPV) [3]. Deze zei oa: ‘’De Hollandse Verkenners kunnen niet veel doen, maar ik verzeker U, dat wij het ons als een grote eer rekenen, de verzorging van de graven op ons te mogen nemen’’. Deze taak nam de NPV Groep ‘’ De Jutters’’ uit Den Helder op zich. [4] Na de dienst werden de vier baren, met de Britse vlag bedekt, door Texelse burgers van de kerk naar de begraafplaats van Den Burg op Texel gedragen. Voorop liepen Padvinders uit Den Helder en Zeeverkenners uit Noord Brabant die kransen droegen. De lichamen werden ter aarde besteld in een gemeenschappelijk graf naast dat van de op Texel gevonden jongens. Een honderdtal Nederlandse Welpen, Verkenners, Voortrekkers,
Leidsters en Leiders vormden een erewacht. Aan het graf werd slechts gesproken door Reverend Dye.
Onder de aanwezigen waren behalve Oûbaas Jan Volkmaars, de IC-NPV, Mr van Velsen, IC-VKJB  Verkenners van de Katholieke Jeugd Beweging), de toen zeer bekende Schipper Viëtor, Assistent Hoofdkwartiercommissaris Zeeverkenners NPV, Dominee Kranenburg, AHKC/NPV voor Geestelijke Training. De Burgemeester van Texel C. de Koning sprak aan het graf en legde een krans namens de bevolking. Verder werden vele kransen gelegd. Onder anderen namens de London County Scout Council, de 1st
Mortlake Sea Scout Group, door het Leger des Heils namens de Britse Salvation Army en door de Den Helders Groep ‘’De Jutters’’, en verder namens de Nederlandse Zeeverkenners en vele anderen. Het jaar daarop zouden de ouders en familieleden het gemeenschappelijke graf op Texel bezoeken.

In de Kerk van St Mary te Mortlake werd een gedenksteen onthuld met de namen van de omgekomenen.
Op 19 augustus 1950 werd door het Britse Ministerie van Transport een officieel onderzoek afgesloten waarbij de conclusie werd getrokken dat de ramp niet te wijten was aan plichtsverzuim. Groepsleider John Weedon was een bekwaam en ervaren zeeman. Wat de ramp had veroorzaakt was speculatie. Onderdelen van de boot waren teruggevonden in een totaal verbrijzelde staat.


De Franse kust en de Engelse kust.
Hoe grillig de wisselende en krachtige de zeestromingen in de Straat van Dover zijn blijkt niet alleen uit het feit dat de lichamen op betrekkelijk grote afstand van de plaats van het ongeluk werden gevonden maar ook daaruit dat kort na de ramp bij de Franse kust een badgast tijdens het zwemmen in zee twee Engelse zeeverkennersmutsen (tokkies) zag drijven waarvan hij er één wist te pakken. Later werden in
het westelijk deel van de Solent, het water tussen het Isle of Wight en het vasteland van Zuid Engeland, tussen Hengisbury Head en Beaulieu (New Forest) vier aangespoelde Zeeverkennerstokkies gevonden. Terwijl tussen Poole en Bournemouth wat wrakhout werd gevonden dat geïdentificeerd werd als zijnde van de "WANGLE III".

Ver van de Waddeneilanden en de Duitse Bocht.

                          
                                   Het gemeenschappelijke graf van de zes Zeeverkenners in Den Burg, Texel.

Deze tragische gebeurtenis trok veel aandacht en werd vermeld in de Britse, de Nederlandse en de Belgische pers en maakte veel indruk op de Britse, Nederlandse, Belgische en Franse scouts.

Noten:
[1] Men vraagt zich nu af waarom slechts één van de ouders aanwezig was. Er waren in die slechte, naoorlogse tijd nog vele beperkingen die het reizen niet bevorderden. Zoals het feit dat men maar weinig geld mocht meenemen naar het buitenland en verder stapte men toen niet even in een vliegtuig waarvan de tarieven nog erg hoog waren. De ouders konden het zich waarschijnlijk niet veroorloven om zelfs voor
deze gebeurtenis even naar Texel te reizen. Ongeveer een jaar later zijn de familieleden wel naar Texel gereisd en hebben zij het graf bezocht. Zo ook in de jaren daarna en steeds werden zij opgevangen door leden van de Den Helderse Jutters en de Texelse Jeroengroep. Leden van deze groepen bezochten ook Mortlake.


[2] Het Britse Leger lag toen nog in de Britse Zone van West-Duitsland. Britse doden werden overgedragen aan het militaire bestuur. Rede waarom een officier van dit bestuur en een Britse veldprediker/aalmoezenier bij de gebeurtenis betrokken raakten.


[3] AHKC/Buitenland. Het Nederlandse Scouting heeft maar één Hoofdverkenner (Chief Scout) gekend: J.J.Rambonnet (1864-1943). In 1920 werd hij Voorzitter van de Vereniging de Nederlandse Padvinders (NPV). Toen men in 1928 de vertaalde en enigermate aangepaste Britse Spelregels invoerde vertaalde men ook de titels van de leiders. Zo werd dus de Voorzitter Hoofdverkenner. Na de zeer succesvolle 5e Wereld Jamboree van 1937 aan de rand van de duinen bij Vogelenzang besloot het Nederlandse Episcopaat dat de gelovige Rooms katholieken niet langer deel mochten uitmaken van verenigingen die geen leiding hadden bestaande uit 100% RK personen. Zo moesten veel RK Scouts de NPV verlaten en werd de Katholieke Verkenners opgericht . Beide verenigingen werden van toen af geleid door een Hoofdcommissaris. Rambonnet had na de Jamboree zijn taak als Hoofdverkenner NPV neergelegd. De
nieuwe Hoofdcommissarissen werden geassisteerd door AHKC’s (Assistent Hoofd Kwartier Commissarissen). Na het ontstaan van Scouting Nederland in 1973 verdwenen deze benamingen. Maar om in de pas met het buitenland te blijven werd de AHKC/Buitenland toen IC Internationaal Commissaris genoemd.


[4] Deze taak werd later overgenomen door Scouting Texel Jeroen Groep.


© Piet J. Kroonenberg. Amsterdam, januari 2009.


Met dank aan DE TEXELSE COURANT [1950], THE TIMES [UK, 1950] HET PAROOL [1950], Peter
Ford IBC/UK en Clifford Rogers RNLI/UK